Ik wil je vasthouden…

Ik wil je vasthouden…
Er waren eens … twee zusjes … in een warm land, ver hier vandaan. Het ene meisje heette Jillie, het andere Jannie. Ze speelden heel veel samen en hadden eigenlijk nooit ruzie. Ze vonden het allebei heel fijn om in de natuur te spelen, rennen, wandelen en ook gewoon in het gras te liggen om zo te genieten van alles wat rond het heen gebeurde. Jannie wilde het liefst alles meenemen naar huis. Ze kwam dan ook vaak bij haar moeder met een mooi boeketje. Ook nam ze vaak beestjes mee die ze dan had gevangen. Eenmaal thuis aangekomen kwam het dan ook best vaak voor dat het beestje de ‘reis’ niet meer had overleefd.

Op een dag kregen ze bezoek van hun opa. Opa was oude wijze man. Ze konden uren luisteren naar de verhalen die hij dan vertelde. Zo ook deze dag.
Opa begon zijn verhaal. “Er was eens een meisje, een prinsesje…”.
En voordat ze het wisten waren de twee meiden al vertrokken naar het fantasie-land dat hun opa zo mooi kon beschrijven. Het verhaal nam de twee meiden helemaal mee.
“.. dat meisje wilde alles bij zich houden, ze wilde niets verliezen. Zo kreeg de van haar vader, de koning, op haar verjaardag een prachtige kooi. In die kooi zat een prachtig vogeltje. Dat vogeltje had veren in alle kleuren van de regenboog. Het prinsesje haalde regelmatig het vogeltje uit de kooi en hield het dan stevig vast zodat het niet kon wegvliegen. Daar was ze namelijk heel bang voor.
Ik wil je vasthouden
Op een dag liep ze door de grote tuin te springen tot ze bij een fontein kwam. Daar zat ‘n monnik op een grote steen. Ze kende hem goed want hij zat er vaak en dan praatten ze over van alles.

Zo vroeg de monnik haar deze hoeveel ze van haar vogeltje hield. Nou, ze hield heel veel van haar vogeltje en ze vertelde dat ze het vogeltje vaak uit de vogelkooi haalde. ‘Ik durf het vogeltje niet los te laten zodat het kan rondvliegen’, zei ze, ‘ik ben bang dat het weg vliegt’. ‘Inderdaad’, zei de monnik, ‘ik denk ook dat het vogeltje weg zou vliegen wanneer het de kans ziet om te ontsnappen uit de handen die haar de hele tijd strak vasthouden’.
‘Ze zal echter wél terugkomen of zelfs blijven wanneer ze weet dat ze in alle vrijheid op jouw hand kan zitten…”.
Later op de dag, probeerde het prinsesje uit wat de monnik haar had verteld. Ze bleef wel in haar kamer met alle ramen en deuren dicht want ze was nog steeds bang dat het vogeltje weg zou vliegen. Het vogeltje bleef echter dicht bij haar en sprong van de kooi op haar hand en weer terug.
Dagen later kon ze ook met haar vogeltje buiten spelen zonder dat het wegvloog. Het waren twee echte maatjes geworden.

Opa kon de verhalen zo spannend vertellen dat de meiden bijna in slaap waren gevallen, zo waren ze in het verhaal opgegaan en zo mooi vonden ze het.
[EK 2013-07]