De bij die niet kon vliegen

De bij die niet kon vliegen
De kleine bij zat in het gras en keek treurig om zich heen. Daar vlogen alle andere bijen af en aan. Hun kleine pootjes vol met stuifmeel, de mond vol met de nectar van de mooie rode en gele bloemen in het veld.

Ze was zo verdrietig omdat ze niet kon vliegen. Een bij die niet kan vliegen? Hoe kan dat nou, die vliegen toch allemaal, dat zit toch in de genen! Ja, normaal gesproken wel, maar bij deze kleine bij was het anders. Ze was ervan overtuigd dat ze niet kon vliegen.
Toen ze nog een larve was had ze een keer twee wandelaars gehoord die langs haar bijenkorf liepen. Ze had ze duidelijk horen praten toen de ene wandelaar tegen de andere zei: “.. zeg weet je dat bijen eigenlijk niet kunnen vliegen, ze zijn veel te dik en hebben te kleine vleugels..”.De bij die niet kon vliegen“Oh ja,”, zei de ander, “maar ze vliegen toch.”.
Net toen de andere wandelaar wilde antwoorden werden ze afgeleid, de kleine bij hoorde het antwoord niet. Deze uitspraak had ze zich ingeprent. Ze was er zo van overtuigd dat ze niet kon vliegen, dat ze het ook echt niet kon.

Haar bijenvader en bijenmoeder hadden alles geprobeerd om haar te laten vliegen. Voordoen, op haar inpraten, kwaad worden, liefdevol toespreken. Niets hielp. Ze wist het gewoon zeker. Een bij kan niet vliegen. Als ze naar zichzelf keek zag ze een dik bolletje en héle kleine vleugeltjes. Nee, met een dergelijk lijf als dat van haar kon je echt niet vliegen. De andere bijen waren veel slanker, ook hun vleugels waren veel groter.

De kleine bij kon niet veel doen om mee te helpen bij het werk in de bijenkorf. Ze kon immers niet vliegen. Het enige wat ze deed was de bodem van de korf stofvrij houden. Heel nuttig en nobel werk, dat wel, maar het was niet echt nodig.
De bijenkoningin zag dit allemaal gebeuren en op een dag riep ze de kleine bij tot zich.
“Vertel eens kleine bij, hoe gaat het met je”, zei de koningin met haar zachte stem en vriendelijke gezicht. De kleine bij keek vol ontzag naar haar op, verlegen en schuchter antwoordde ze: “Het gaat goed mevrouw”.
“Hoe gaat het echt”, vroeg de koningin nog een keer. De kleine bij antwoordde: “Niet zo goed mevrouw, ik kan niet vliegen en dat doet pijn wanneer ik de anderen zo zie”.
“Vertel eens, wat zou je graag willen”.
“Nou, vliegen natuurlijk, net als de anderen” en terwijl ze dit zei werd ze weer triest want ze wist dat ze het niet kon. De koningin zag dat de kleine bij in elkaar kromp en zichtbaar pijn leed.
Vriendelijk ging ze verder: “Stel nou dat je vanavond in slaap valt, je wordt morgenvroeg wakker en dan is jouw probleem opgelost. Jouw probleem is helemaal verdwenen. Stel het je eens voor, leef je helemaal in hoe de wereld er morgenvroeg uitziet nadat je hebt geslapen, wil je dat voor me doen?”.
De kleine bij wilde dit wel en ging stilletjes voor zichzelf zitten dromen. Ze stelde zich voor hoe ze vloog en van bloem naar bloem ging. De nectar met dikke klonten aan haar mond, het stuifmeel zo geel en dik aan haar pootjes dat alle anderen naar haar wezen en zeiden. “Kijk de kleine bij eens, hoe goed ze kan vliegen, hoeveel ze kan dragen”. De kleine bij werd zichtbaar vrolijker, begon zachtjes te zoemen en kreeg een kleur van plezier op haar kleine bijenwangetjes. Terwijl ze zo droomde en zoemde kwam ze een klein eindje omhoog van de grond. Eerst een klein eindje, daarna iets hoger.
“Hé kleine bij”, zei de koningin, “waar vlieg jij nu naar toe, we waren toch nog niet uitgesproken”?
De kleine bij deed haar ogen open, zag de koningin een eindje onder zich, warempel ze vloog. Van schrik ging ze direct weer naar beneden, keek verbaasd naar haar vleugeltjes en naar de koningin. “Hoe kan dit nou?”, fluisterde de kleine bij.
“Weet je”, zei de koningen. “Als je denkt dat je iets niet kunt, dan klopt dat. Denk je dat je het wel kunt, dan klopt het ook, dus aan jou de keuze”.
[EK 2011-12 naar S. van Beveren]